“Het is moeilijk om niet verbitterd te raken als je twee keer een kind verliest.”
“Ons zoontje Sander was anderhalf jaar toen hij ziek werd. We leefden een jaar in onzekerheid voor hij de stempel ‘leukemie’ kreeg, een uitzonderlijke vorm. Een stamceldonor vonden we pas na een lange zoektocht. We klampten ons vast aan elke strohalm. Niets hielp. Sander was drie toen de dokters vertelden dat hij palliatief was. We probeerden in de tijd die ons restte nog fijne dingen te doen, maar onze kleine jongen was te ziek. Ik was ondertussen in verwachting geraakt. Zou mijn ene kind doodgaan voor de geboorte van mijn andere kind? Zouden we, al was het maar voor even, een gezin kunnen zijn? Mijn vrees was gegrond. Vier maanden later stierf Sander bij ons thuis, in ons bed.
Op de begrafenis was ik hoogzwanger. God weet waar ik mijn kracht vandaan haalde. Ik beviel drie dagen later, tussen intens verdriet en immense blijdschap, pal op de negende verjaardag van onze oudste zoon Niels. ‘Nu heb ik toch nog een fijn verjaardagscadeau’, zei hij. Ons dochtertje Sarah bleek een bloem van een kind te zijn. Ontwapenend, spontaan. Wanneer men in het verkeersbulletin sprak over vallende sterren, dan juichte zij: ‘Dat is Sander!’ Haar goedlachsheid hield ons overeind.
Tien jaar na Sanders dood zei iemand: ‘Je ziet er goed uit, Ann.’ En zo voelde ik me eindelijk ook. Maar toen, in een vingerknip, stierf onze Niels. Aangereden door een auto. Dood. Onze wereld stuikte opnieuw in elkaar. Het is moeilijk om niet verbitterd te raken als je twee keer een kind verliest. Onze immer vrolijke Sarah verloor haar lach. Dat brak mijn moederhart.
Twee jaar later werd Nielan geboren. Hij groeide op in een met verdriet beladen gezin. Toen op mijn vijftigste borstkanker werd vastgesteld, zei mijn man: ‘Het is ons niet gegund’. Omdat ik niet wil leven in angst, heb ik tegen mijn ziekte gevochten als een leeuwin. De laatste chemo is in zicht.
Iemand vroeg ooit hoeveel kinderen ik heb. Ik zei ‘Vier’. Haar repliek was niet het gebruikelijke ‘En hoe oud zijn ze?’, maar ‘Wat een gezellige drukte moet dat zijn’. Dat bracht me van mijn stuk. Ik probeer er niet bij stil te staan hoe het had kunnen zijn. Ja, ik ben sterk, maar ik mag voor mezelf ook wat milder zijn. Het geluk vind ik in de grote en kleine dingen. Mijn liefdevolle kinderen, de zon, de fruitbomen in onze tuin, warme mensen om me heen.”