“Als kind zocht ik de schoonheid op in een wereld die voor mij pikkedonker was.”

“Ik herinner me levendig hoe ik onder gejoel van leeftijdsgenootjes niet achter de bal aan rende, maar afvloog op een bloem in het gras. Als kind zocht ik de schoonheid op in een wereld die voor mij pikkedonker was. Ik werd gepest want ik was dik, ik bibberde en stotterde. Terwijl ik worstelde met de bijwerkingen van mijn medicatie voor ADHD, vond ik troost in het verminken van mezelf en vroeg ik me af wat de werkelijke zin van het leven was.

Op mijn dertiende werd ik voor het eerst opgenomen. Dat was het begin van een reeks traumatische ervaringen. Kleine kamers zonder licht, isoleercellen, onvriendelijke bejegeningen. Ik zocht mijn heil in de harddrug amfetamine. Van speed val je af, en dat was precies wat ik wilde. Al die tijd was kunst mijn anker. Ik beeldhouwde, tekende, schilderde en schreef.

Op de kunsthogeschool bloeide ik eindelijk open, maar mijn geluk was van korte duur. Tijdens een examenperiode viel ik doodmoe in kleermakerszit boven mijn studieboeken in slaap. Zeven uur lang zaten mijn benen gekneld. De zes maanden die erop volgden waren een verschrikking. Narcoses, operaties, dialyses, pijn en onzekerheid. Mijn linkerbeen viel niet te redden met amputatie als gevolg.

Beeldhouwen, mijn grootste passie, lukte niet meer en ik moest mijn studie opgeven. Ik belandde in een depressie en begon veel te veel te eten. Toen ik 170 kilogram woog, was ik ongelukkiger en kwetsbaarder dan ooit. Mijn leven was tot hier toe een aaneenschakeling van duistere periodes geweest. Hoe hieruit te raken? Dat ging met kleine stappen. Ik leerde mijn ziektebeeld begrijpen. Ik aanvaardde hulp van buitenaf. Ik stond open voor liefde. Ik ging mezelf verzorgen en viel 100 kilo af. Mijn kunst evolueerde van ‘ik wil sterven’ naar ‘ik droom van’.

Mijn fascinatie voor de dood is gebleven, maar met mijn kunst kan ik het omzetten in tastbare schoonheid. Dit jaar ga ik weer studeren. Ik wil ook lesgeven, iets doen met mijn talent. Als mensen me aanstaren of ’satanist’ roepen, haal ik mijn schouders op. Ja, mijn pad was hobbelig, maar die bloem in het gras is er altijd geweest.”

Previous
Previous

Diana

Next
Next

Lieve