“Ik ontwaar ik achter elk verdriet een enorme kracht.”
“Als mijn vader mij vroeg om zijn pantoffels te halen, zei ik: ‘Je hebt toch zelf benen?’. Als ik naar een fuif wilde maar niet mocht, sloop ik het huis uit en liftte tot daar. Dat rebelse karakter werd versterkt door mijn gezinssituatie. Tussen mijn Marokkaanse vader en Vlaamse moeder liep de communicatie stroef en ik kreeg zelden een antwoord op mijn vragen. Op ‘mag ik’ volgde steevast ‘nee’. Zomaar, zonder reden. Basketbal spelen? Nee. Modeontwerpster worden? Nee. Ik voelde me verstikt terwijl mijn hoofd en hart schreeuwden om vrijheid.
Rond mijn vijftiende vertelde ik mijn ouders dat ik dit leven niet meer wilde leiden. Daar schrokken ze van. Ik ging op internaat en studeerde af als psychiatrisch verpleegkundige. Hoewel ik mijn moeder en vader nog wel zag, deelde ik jarenlang weinig met hen. Die ontvoogding was een strijd.
In mijn laatste studiejaar leerde ik mijn man Ali kennen. Net zoals ik kwam hij uit een gemengd gezin. Hij had op jonge leeftijd zijn ouders verloren en was overtuigd katholiek. Ondanks de ogenschijnlijke verschillen tussen ons was Ali mijn ontbrekende puzzelstuk. Hij begreep onmiddellijk dat mijn geest vrij moest zijn, dat ik moest kunnen dansen en reizen en dat ik onmogelijk gebonden kon zijn aan een cultuur of aan een of andere god.
Dat mijn eigen, stugge vader al die tijd trots was geweest op mijn vastberadenheid, kwam ik pas te weten toen hij op zijn sterfbed lag. Zo wil ik niet zijn. Ik wil emotie, openheid, confrontatie, nu! Die visie pas ik toe in mijn praktijk als therapeut. Er zijn geen taboes of beperkingen. En zo ontwaar ik achter elk verdriet een enorme kracht.”