“Zij hebben mij gered. Zij hebben mij het leven gegeven.”

“Ik was zeven jaar toen mijn moeder stierf. Ze had jarenlang gevangen gezeten in een slecht huwelijk. Onze buren, een ietwat ouder koppel met een volwassen zoon, kenden de situatie en boden aan om mij te adopteren. In het begin stak het gemis wel eens de kop op en kroop ik onder tafel. Maar wenen deed ik niet. Ik hield het verdriet binnen.

Bij beetjes werd mijn leven mooi. Ik noemde mijn nieuwe ouders ‘mevrouw en meneer Peeters’. Dat klinkt afstandelijk, maar dat waren ze helemaal niet. Zij waren hartelijk, warm en liefdevol. Ik herinner me dat ik madeliefjes in mijn pleegvaders haren stak vooraleer hij naar het werk vertrok, hoe ik geboeid naar hun verhalen luisterde en dat we soms lachten tot we er buikpijn van kregen.

Meneer Peeters die zijn droom om arts te worden nooit had kunnen waarmaken, wilde mij wél alle kansen geven. Ik ging studeren en werd laborante. Ook stichtte ik een gezin dat even warm was als het gezin waarin ik was opgegroeid. Toen mijn pleegouders echt oud werden, kwamen ze bij ons inwonen. Zo kon ik voor hen zorgen zoals zij dat voor mij gedaan hadden.

Nu ben ik 88 jaar. Zij zijn er al een poosje niet meer en ook mijn lieve man Louis is gestorven. Ik blijf achter met een slechte heup, maar een hoofd vol herinneringen. In het verzorgingstehuis ben ik een stille gever. Als het oudje naast me door trillende handen niet van haar soep kan eten, zal ik haar helpen met de lepel. Vriendelijk zijn, iets doen voor een ander zonder pluimen op je hoed te steken,, dat heb ik gezien bij meneer en mevrouw Peeters. Zij hebben mij gered. Zij hebben mij het leven gegeven.”

Previous
Previous

Sezgin

Next
Next

Mouffa