“Ik heb, zoals zoveel vrouwen, nog heel veel in mijn mars.”
“Op onze trouwdag greep hij mijn arm. Het deed zo’n pijn dat ik met ingehouden tranen de trouwzaal binnenliep. Dat was het begin. De daaropvolgende jaren woedde er altijd oorlog in huis. Eentje van woorden en daden. Ik schaamde me, dus ik sprak er met niemand over.
Ondertussen werkte ik als bediende voor een reisbureau. Toerisme was mijn enige deur naar buiten. Mijn vluchtweg. Omdat veel vrouwen door hun cultuur en religie niet mogen reizen, richtte ik mijn eigen reisorganisatie op. Duizenden vrouwen kreeg ik uit hun schulp. Ik organiseerde daguitstappen en stedentrips, soms verbleven we dagen in het buitenland.
Ik reisde de wereld rond als vluchteling van mijn man. Wanneer ik slaag gekregen had, stond ik de dag erop weer opgewekt in de tourbus met een microfoon in mijn hand. Ik zag de vrouwen rond mij openbloeien, dus ik was content. Bij familie en vrienden stuitte ik op onbegrip. ‘Nazlihan, blijf toch thuis.’
Toen een laatste druppel de emmer deed overlopen, vroeg ik de scheiding aan. Het werd een vechtscheiding van jewelste, maar ik was vrij. Corona kwam als een klap. Reizen mocht niet en de humanitaire acties die ik eraan koppelde, gingen niet door. Ik herpakte me en zette een internationale hulporganisatie op met een educatief centrum in Bosnië, een land waar ik graag kom.
Daar ontdekte ik ook wat echte liefde kan zijn. Voor het eerst in mijn leven is er een man die ziet wie ik ben en mijn innerlijke kracht omarmt. Ik ben fier op mezelf, want ik heb een akelige situatie omgebogen naar iets waardevols. Ik wil nog honderdduizend goede dingen doen. Ik heb, zoals zoveel vrouwen, nog heel veel in mijn mars.”