“Het is alsof ik mijn overlevingsknop niet kan uitzetten.”

“Toen de Russen in 1994 mijn land Tsjetsjenië binnenvielen, kon niemand voorspellen dat de oorlog dertien jaar lang zou duren. Die eerste nacht lag ik hoogzwanger in bed met mijn dochtertje tegen me aan terwijl de bommenwerpers overvlogen. ‘Zo sterven we tenminste samen’, dacht ik. Het was een verschrikkelijke tijd, elke verbeelding tartend.

Ik beviel met keizersnede bij kaarslicht, zonder warm water. Ik zag mensen sterven en huizen exploderen. We hadden honger en vreesden op elk moment voor ons leven. Het werd onhoudbaar. In 2000 besloten mijn man en ik om samen met onze vier kinderen te vluchten. We liepen door donkere bossen, strompelden door beken, baanden ons een weg over afgekapte maisvelden en betaalden veel te veel geld aan smokkelaars die ons slecht behandelden.

Tijdens het eerste jaar in België gleed ik weg in een depressie. Mijn lichaam was uitgeput, ik kreeg de oorlog niet uit mijn hoofd en ik maakte me zorgen over mijn achtergebleven familie. Bovendien moesten wij ons hier houden aan strikte regels en mochten we niemand ontvangen. Zo voelde ik me nog eenzamer.

Daarna werd het beter. Ik ging houden van de Nederlandse taal en vond een fijne job in een broodjesfabriek waar ik me opwerkte tot ploegbaas en syndicaal afgevaardigde. Een stem zijn voor anderen werd mijn grootste drijfveer. Mijn man en ik hebben keihard gewerkt. Dat ons huis nu is afbetaald, doet mijn hart nog steeds gloeien.

Sinds de geboorte van mijn zesde kind lijd ik aan reumatoïde artritis. Ik probeer het kalmer aan te doen, maar ik blijf onrustig. Het is alsof ik mijn overlevingsknop niet kan uitzetten. Ik wil de beste moeder zijn voor mijn kinderen en ik wil de beste tolk zijn voor Oekraïense vluchtelingen. Dat wij in de wereld niet stoppen met oorlog voeren, breekt mij vanbinnen.”

Previous
Previous

Mouffa

Next
Next

Mario